Het is maandag ochtend wanneer ik dit schrijf. Ik ben vroeg wakker geworden. Het leven begint weer.
Het voelt alsof die zin veel meer wil uitdrukken dan die vier woorden kunnen (en alsof hij net zo onwaar als waar is). Vorige week is jouw leven geëindigd. Daarmee ook een heftige periode van naar dat einde toe leven, een tijd van heel veel liefde en verbondenheid.
Ons afscheid was klein en breekbaar. Een knuffel in de woonkamer, Jorn en ik in winterjas, jij op kousenvoeten. “Dag lieverd.”
Die laatste middag ging voorbij. Om half 6 ben ik naar buiten gegaan, het donker in, dikke mist. Gelopen, de ene voet voor de andere, totdat er een uur voorbij was en jij niet meer hier. Langs de kaarsrechte Wetering, de wereld overzichtelijk en stil. Ik zette mijn capuchon op: jouw geur in mijn neus, de knuffel van een paar uur daarvoor hing nog aan mijn jas.
Op de fiets naar de Cornelis, de sleutels zaten aan de buitenkant van de voordeur. Vanachter de woonkamerdeur klonk warm geroezemoes. Ik deed de deur open en daar lag je, op de bank. Zo bleek en zo dood. Ik brak. Hoe kon jij mijn lieve Marjo, onze Marjo, daar nou zo dood liggen te zijn? (Hoe kon dat als jij die ochtend nog koffiekopjes opruimde, vertelde over de mannen in je leven, in je warme jas door de duinen liep, ons knuffelde?)
Het verdriet was als een vulkaan uitbarsting in mijn borst. Heet. Geen adem. Ik ben het koude donker ingevlucht. Adem gehaald.
Uiteindelijk heb ik heel even naast je gezeten. Je lag er rustig bij. Er was zo veel liefde in die kamer. Daar heb ik me aan opgetrokken: de heel erg lieve mensen die jij om je heen verzameld had die nu troostende warmte uitstraalden. Aan het einde van die avond wilde ik eigenlijk niet naar huis. Want dan kwam er zo veel meer ten einde dan alleen een donderdag.
Maar toen de gevreesde volgende ochtend kwam was er maar een gedachte: wat fijn dat jij niet meer aan een nieuwe dag hoeft te beginnen.