Voor Marjolein

Wat zou jij schrijven in een afscheidsbrief? Dat vroeg ik mij laatst af. Niet omdat jij het type bent die er een zou schrijven, maar omdat ik er graag een van je zou willen krijgen. Als geruststelling, omdat je zou zeggen dat je genoten hebt, van een mooi leven. Als houvast ook, om later iets te lezen dat jouw stem echoot.
Maar ja, schrijven en woorden zijn niet meer je sterkste kant. Dus begon ik jouw afscheidsbrief aan mij. Ik denk dat je, met een lach, zou schrijven dat ik me niet zo druk moet maken met dat grote hoofd van me. Dat ik de wereld moet blijven ontdekken omdat rochelende Chinezen, gekke Indonezen, breed lachende Afrikanen en gebruinde Brazilianen me met open armen opwachtenDat je daar dan de tip bij zou geven vooral niet aan een van die mannen te blijven hangen want “het leven is ook leuk zonder vent. Moet je toch niet aan denken, Fien, elke dag maar moeten zorgen voor zo’n man?!”
Je zou me vast schrijven dat het belangrijk is je altijd goed te kleden, dat je moet zeggen wat je denkt, en dat Mini Coopers de fijnste auto’s zijn. Bijna zeker weet ik dat je zou afsluiten met “Niet huilen hoor! Dááháág.”
Terwijl ik dit schrijf realiseer ik me dat de woorden van jouw brief al lang geschreven staan, de eerste letters op papier gezet toen ik als kleuter door jouw tuinhek liep. Paragrafen erbij geschreven op de Oostdorperweg, soms wat zinnen op de Cornelis, en een paar prachtige alinea’s samen op reis. En nu dan een slotzin.
Zoals dat gaat met mooie brieven: je hoeft ze niet opnieuw te lezen om te weten wat er in staat. Zondag toen jouw afscheidsfeestje ten einde kwam stonden we samen buiten. Jij sloeg jouw armen om mij heen, en ik de mijne om jou. Ik zei: “Je weet wel, hè, dat ik heel veel van je hou?” “Dat weet ik,” antwoordde je, “en weet je wat het leuke is? Ik hou ook zo veel van jou.” En met die slotzin, lieve Marjo, heb ik geen brief nodig.

 

Op de dag voor haar overlijden heb ik bovenstaande aan Marjo voorgelezen uit mijn dagboek. We lagen samen op haar bed, mijn hoofd op haar schouder. Ik vroeg of het klopte dat ze genoten had van een mooi leven (ja), en ze lachte instemmend bij de adviezen in mijn brief. Bij de laatste regels drupte haar tranen op mijn hoofd, ze zei: “Ik baal zo dat er geen luikje is waar ik over een jaar doorheen kan kijken om te zien hoe het met jullie gaat.” Samen huilden we even om dat luikje. Toen liet ze me haar jurkje zien dat ze de volgende dag aan zou doen: “Mooi he?”. Beneden ging de jas aan, kordaat stapte ze de deur uit: op naar het strand.