Er werden medicijnen voorgeschreven om de alzheimer te vertragen. Maar het bleek dat slow-motion het lijden alleen maar zichtbaarder maakt. Na een paar jaar met deze ziekte heeft ze besloten uit het leven te stappen. De euthanasie is goedgekeurd, het aftellen is begonnen. Zo opgelucht was ze “dat het mag” dat ze haar huisarts een kus heeft gegeven. Ze lacht blije blauwe ogen bij de herinnering. Trots zegt ze: “Sinds ik de beslissing heb genomen huil ik bijna niet meer.”
Toen ze alzheimer kreeg heb ik naïef gedacht dat we zouden mogen wennen aan een nieuwe status quo, mee konden groeien met de vrouw die ze werd. Een vrouw met kattige opmerkingen, met onafgemaakte zinnen omdat ze was vergeten waar de woorden heen gingen, iemand die steeds dezelfde anekdote vertelt. Maar ook de vrouw die nog steeds geïnteresseerd is, en liever lacht. De vrouw met wie we grappen maken, met en over de alzheimer.
Ze heeft geen echtgenoot of kinderen, wij zijn haar familie. Haar trouwe groep vrienden en vriendinnen en hun kinderen, waar ik er een van ben. We redderen, helpen, begeleiden. Woedend begint ze vaak de verhalen over wat ze niet meer kan, en eindigt ze altijd in tranen. Wij huilen mee, luisteren. Maar die momenten waarop ze tot zes keer toe terug naar huis moet lopen om het briefje te zoeken waar de naam van de kapper op staat, de ochtenden dat ze haar kleren niet aan krijgt, en de veters van haar schoenen niet gestrikt, die keren wanneer ze voor de zoveelste keer haar sleutels kwijt is, haar woorden en haar draad, wanneer ze huilt van angst, op die momenten is ze altijd moederziel alleen.
Ze kan niet meer schrijven of lezen, tv en films begrijpt ze niet. De buitenwereld brengt haar van haar stuk, de auto, het symbool van haar vrijheid, staat werkloos voor haar deur. Ze wandelt veel. Liefst op het strand, daar is het vlak en overzichtelijk, want lopen is moeilijk geworden. Over de zee die zo’n heilzame werking kan hebben spuwt ze de woorden uit: “Altijd maar diezelfde horizon. Gek word ik er van.” En zo staan wij, haar zelf-verzamelde familie, aan de zijlijn van haar machteloosheid, haar angst, en haar verdriet, die elke dag weer acte de présence geven. Pijnlijk is het, om te moeten toekijken hoe ze een speelbal is geworden van haar hersenen. Ze huilt: “Aan het einde van de dag ben ik zo moe.”
Al 24 jaar is ze in mijn leven, vaak genoeg haalde ze herinneringen op aan hoe ik als klein meisje hartverscheurend kon huilen, om niets. Nu huil ik om haar, om het leven dat ik dacht dat ze zou hebben. Ik noemde haar mijn ‘leen-mama’, nu pas realiseer ik me dat ze nooit ‘leen-oma’ voor mijn kinderen zal zijn. Waarom komt die realisatie nu, als de diagnose al een streep door haar toekomst zette? Alzheimer is recht en onverbiddelijk. Misschien omdat deze ziekte niet alles is wat haar definieert: ze ruikt nog zoals ze al alle jaren ruikt. Haar stem, haar lach, haar pittige opmerkingen, in zo veel is ze gewoon nog wie ze was.
Nadat ik het nieuws hoor van haar aanstaande dood bel ik haar: “Wil je wandelen?” Ik moet lachen om hoe ze door de duinen stapt: als een eendje, maar dan met een pittig tempo, want geoefend. “Ben je bang voor de dood?” vraag ik. “Nee.” Ze zegt het stellig. We lopen elk met een witte zakdoek in ons hand, mama, zij en ik. Ik stel meer vragen, uit alle antwoorden blijkt dat ze zeker is van haar beslissing. En daarin is ze precies de vrouw die ik al zo lang ken. Stoer, onverschrokken en zeker van haar zaak. In hoe ze haar leven leidde, en hoe ze het eindigt.