Daar zit ze met een ijsblauwe trui aan en sjaal om. Ze heeft me net de tuin laten zien door het oog van de laptop. “Kijk, lieverd, het hagelt.” Ik zie geen hagel, de verbinding is te traag voor het vallen van de stenen, maar ik zie wel een waterige zon in een winterlucht. Ik mis je. Wil ik zeggen maar de brok in mijn keel is te groot. Het beeld vult zich met haar trui en de kleur van haar hals: mama geeft me een knuffel, met haar armen om de laptop heen.

Ik heb heimwee. Heimwee naar dichtbij zijn. Thee drinken aan de houten keukentafel. Met broer en zus en ouders om diezelfde keukentafel een zondags maal eten. Heimwee naar mijn vriendinnen, naar onze gesprekken, naar knieën opgetrokken op de bank met een theekop balancerend op de leuning. Heimwee naar het Hollandse weer, met donkere wolken en gure windstoten en geen zin in de fiets.

Heimwee is fijn. Een herinnering aan een liefde-vol leven dat ook op afstand doorgaat.  Als ik zo mijn deur uitstap smelt heimwee als Hollandse sneeuw voor de Zuid-Afrikaanse zon, op de grond een verdampend plasje tranen.